Tractus Iliotibialis Frictie Syndroom (Fredericson)

ITBS
Onderzoek
Behandeling
Oefeningen
Risicofactoren

ITBS
Het Tractus Iliotibialis Frictie Syndroom, ook wel lopersknie of IlioTibial Band Syndrome en runner's knee(Eng.)genoemd. Hier is het synoniem iliotibiale band frictiesyndoom afgekort tot ITBS. ITBS is de meest voorkomende oorzaak van pijn aan de buitenzijde van de knie bij hardlopers.
Het ITBS ontstaat door terugkerende frictie van de ITB over de knobbel (epicondyl) aan de buitenzijde boven de knie. Het ITBS is veelal goed te verhelpen met ontstekingsremmende medicatie en rekoefeningen.
De ITB is de peesvoortzetting van de tensor fascia lata spier en heeft indirect connecties met o.a. de bilspieren.De ITB verschuift naar voren over het epicondyl van de knie bij kniestrekking en verschuift naar achteren bij kniebuiging (1). Net na de voetlanding bij gaan, bij iets minder dan 30 graden kniebuiging, treedt een frictiemoment op van de ITB over het epicondyl. Herhaalde frictie geeft irritatie en ontsteking (2).
Bij chronische ITBS ontstaat een slijmbeursachtige verbinding met de gewrichtsruimte van de knie en treedt verdikking van de band op. (3, 4) Zwakte van de bil- en bovenbeenspieren, m.n. de abductoren, (5, 6, 7, 8) wordt recent gezien als de belangrijkste factor voor het optreden van het ITBS. Door verminderde controle van deze spieren tijdens de opvangfase zakt de hardloper meer door de heup en kantelt en draait de knie meer naar binnen. De spanning op de ITB neemt hierdoor toe.

Onderzoek:

Anamnese
Bij ITBS ontstaat meestal pijn meestal aan de buitenzijde van de knie met soms zwelling aan de buitenzijde van de knie . Deze kan doortrekken tot aan de bovenzijde van het onderbeen tijdens het lopen. De pijn is meestal brandend of zeurend van karakter, soms gepaard gaand met steken. Het begint meestal met een lichte irritatie en wordt progressief erger tijdens het toenemen van de loopafstand. Sommige spreken zelfs over een band of klem rond de knie. Kenmerkend is ook de pijn die optreedt bij het trap af lopen.



Lichamelijk onderzoek:
Pijnprovocatie test I:
De proef van Noble wordt in liggende positie uitgevoerd. De knie wordt vanuit een flexiestand gestrekt en tegelijkertijd wordt plaatselijk druk op de femurepicondyl uitgeoefend. Een herkenbare pijn bij ongeveer 30 graden flexie duidt op een positieve proef.
Pijnprovocatie test II:
De proef van Rennewordt in staande positie uitgevoerd (figuur 4).3 Deze test wordt ook wel de 'Creak test' genoemd. De patiënt staat op het aangedane been. Vanuit extensie maakt de patiënt een kniebuiging, staande op één been. Als er een herkenbare pijn ontstaat bij ongeveer 30 graden flexie, dan is de proef positief.
Flexibiliteit test tractus I:
De proef van Ober heeft een bewezen goede inter- en intraobserver betrouwbaarheid. De onderzoeker brengt de onderliggende heup en knie in flexie tot de lumbale lordose is afgevlakt. Dan wordt de bovenliggende knie 90 graden gebogen en wordt de heup in abductie en extensie gebracht tot het bovenbeen in lijn is met de romp. De onderzoeker stabiliseert het bek ken. Vanuit deze uitgang~houding laat de onderzoeker de heup adduceren onder invloed van de zwaartekracht. Volgens Ober is er geen adductie mogelijk als de tractus iliotibialis verkort is
Flexibiliteit test II:
De 'Modified Thomas test' wordt in rugligging uitgevoerd. Op de rand van de onderzoeksbank pakt de patiënt beide knieën vast. In rugligging laat de patiënt een been los en houdt het andere been in maximale heupflexie. De stand van het 'hangende' been kan gemeten worden. Spierlengte test van bovenbeen- en liesspieren (rectus femoris, iliopsoas, tensor fascia latae en de ITB. De 'normaal' stand is: bovenbeen hangt 12 graden onder horizontaal en in 15 graden abductie. Tweeënvijftig graden van knieflexie is normaal.
Flexibiliteit test III. Spierlengte test van de kuitspier (gastrocnemius (A) en soleus (B); lichte inversie voet om subtalair vast te zetten, positief: talair: <90 dorsaal flexie
Spierkracht test abductoren (gluteus medius; Abductie in zijlig zonder flexie heup en rotatie heup toe te laten. Meting met handheld dynamometer)

Aanvullend onderzoek
De diagnose ITBFS is een klinische diagnose en aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Röntgenonderzoek is niet zinvol, tenzij er verdenking is op een exostose. Met echografisch onderzoek kunnen afwijkingen onder de tractus iliotibialis gevonden worden maar deze zijn niet specifiek en een normaal echobeeld sluit een ITBFS niet uit.

Behandeling:
In de acute fase:

  • relatieve rust
  • aanpassen van de belasting, bijvoorbeeld fietsen of aquajoggen i.p.v. hardlopen.
  • ijsapplicatie, herhaaldelijke applicatie van 10 minuten.
  • bij hevige pijnklachten: NSAID's (ontstekingsremmende medicatie)
  • injectie met corticosteroïden

In de revalidatie fase:
Specifieke oefentherapie ter verbetering van de heupabductoren dient in deze fase uitgevoerd te worden. Ook oefeningen voor de quadriceps- en hamstringskracht dienen voorgeschreven te worden.

De oefeningen

Oefenprogramma:iliotibiale band frictie syndroomRegio:heup
Het Tractus Iliotibialis Frictie Syndroom, ook wel lopersknie of IlioTibial Band Syndrome en runner's knee(Eng.)genoemd. Hier is het synoniem iliotibiale band frictiesyndoom afgekort tot ITBS. ITBS is de meest voorkomende oorzaak van pijn aan de buitenzijde van de knie bij hardlopers.
Sel.Oefeningen:AfbeeldingSel.Oefeningen:Afbeelding
Oefening: 1 Kenmerk: rekabdheup
Rekken.
A) Aangedane been achter niet aangedane been kruisen. Uitademen en de romp opzij bewegen totdat rek wordt gevoeld aan de zijkant van de heup. Met bekken achter-/vooroverkanteling wordt de plaats van rek gevarieerd.
B) Rek accentueren door armen boven het hoofd te strekken.
Armen toevoeging blijkt de effectiviteit van de oefening te verhogen.

Aantal:15 seconden
Oefening: 2 Kenmerk: ITB rekken met riem
Rek in ruglig met riem. Trek been richting de tegenovergestelde schouder.
Uitvoering: contract-relax, 3 maal per dag, aanspannen 3 * 7 seconden, rek 15 sec.

Aantal:15 seconden
Oefening: 3 Kenmerk: ITB rekken met foam rol
Steun op beide handen. Het niet-aangedane been overkruisen. Het aangedane been gestrekt op een rol van stevig foam. Over deze rol van heup naar knie rollen om specifieke strakke gebieden te benadrukken.
Uitvoering: contract-relax, 3 maal per dag, aanspannen 3 * 7 seconden, rek 15 sec.

Aantal:15 seconden
Oefening: 4 Kenmerk: spvabdheup
Zijlig, niet aangedane been opgetrokken voor een stabiele zijlig. Aangedane been zijwaarts optillen met accent op hak richting het plafond

Aantal:20 herhalingen
Duur oef.: 2 tel
Oefening: 5 Kenmerk: spbabdheup2
Afstapoefening voor de spiegel. Bij het afstappen met het niet aangedane been mag de knie van het steunbeen (aangedane zijde) op de verhoging niet naar binnen gaan ( X-been). Probeer hierbij de knieschijf in de lijn van de tweede teen te houden. Vermijd verdraaiing of wegzakken van de heupen. (Heupen blijven in het sagittale vlak.

Aantal:20 herhalingen
Oefening: 6 Kenmerk: spvabdheup3
Stand op opstapbankje met knie?n gestrekt. Aan de niet aangedane zijde de heup laten zakken, voet richting de grond. Daarna heup optrekken. Oefen voor de spiegel voor de controle van de bekken- en kniestand.

Aantal:20 herhalingen
Bron:1-Evans P: The postural function of the iliotibial tract. Ann R Coll Surg Engl 1979;61(4):272-280
Terry GC, Hughston JC, Norwood LA: The anatomy of the iliopatellar band and the iliotibia tract. Am J Sports Med 1986;14(1):39-45
2-Nishimura G, Yamato M, Tamai K, et al: MR findings in iliotibial band syndrome. Skeletal Radiol 1997;26(9):533-537
3-Nemeth WC, Sanders BL: The lateral synovial recess of the knee: anatomy and role in chronic iliotibial band friction syndrome. Arthroscopy 1996;12(5):574-580
4-Ekman EF, Pope T, Martin DF, et al: Magnetic resonance imaging of iliotibial band syndrome. Am J Sports Med 1994;22(6):851-854
5-Messier SP, Edwards DG, Martin DF, et al: Etiology of iliotibial band friction syndrome in distance runners. Med Sci Sports Exer 1995;27(7):951-960
6-Fredericson M, Dowdell BC, Oestreicher N, et al: Correlation between decreased strength in hip abductors and iliotibial band syndrome in runners, abstracted. Arch Phys Med Rehabil 1997;78(9):1031
7-Mann RA, Moran GT, Dougherty SE: Comparative electromyography of the lower extremity in jogging, running, and sprinting. Am J Sports Med 1986;14(6):501-510
8-Hollinshead WH, Jenkins DB: Functional Anatomy of the Limbs and Back, ed 5. Philadelphia, WB Saunders, 1982, p 265
9-Fredericson M, White JJ, Macmahon JM, Andriacchi TP, Quantitative analysis of the relative effectiveness of 3 iliotibial band stretches. Clin J Sport Med 2000 Jul;10(3):169-75
10-Weir A, Vod de R.J, Winter de Th.C, Iliotibiale band frictiesyndroom, overzichtsartikel, Geneeskunde en Sport, 38,6 december 2005
prod: M. de Kogel

Risicofactoren - Preventie
Intrinsieke (anatomische en biomechanische) factoren Extrinsieke(training en externe) factoren
genu recurvatum
ouder dan 35 jaar
hamstrings-quadriceps ratio < 0,8
verminderde abductiekracht
bilaterale zwakte knieflexie en knieextensie
Minder ervaring met hardlopen
Meer kilometers hardlopen
Lopen op de baan i.p.v. op de weg
Lopen ongebruiklelijk lange afstand
Advies gebaseerd op het vermijden van de bewezen risicofactoren is mogelijk zinvol. Gezien het feit dat zwakte van de abductoren, quadriceps en hamstrings bij kan dragen aan het ontwikkelen van ITBFS, zouden oefeningen ter verbetering van de kracht van de genoemde spiergroepen nuttig kunnen zijn. Een rustig opbouwschema kan worden aangeraden. Eenmalige lange afstanden dienen vermeden te worden. Voorzichtigheid bij lopen op een baan of heuvelachtig looproutes is op zijn plaats.





Laatste wijziging:18-06-2006 M. de Kogel JavaScript DHTML Menu Powered by Milonic